Teun van Duin, directeur Logitech:

Opstappunten

Vrijdag, 30 maart 2007, 00:00

“Verladers merken dat het wegvervoer tegen de grenzen van zijn capaciteit aanhikt en zoeken daarom naar alternatieven. Het is dus niet verwonderlijk dat het railgoederenvervoer de laatste tijd weer flink in de belangstelling staat. Ook de aanstaande opening van de Betuweroute draagt bij aan de toenemende interesse van het Nederlandse bedrijfsleven voor het goederenvervoer per spoor. Maar waar kunnen die verladers hun spullen op het spoor zetten?

In de grote Nederlandse havens, met Rotterdam voorop, kunnen bedrijven gemakkelijk een eigen spooraansluiting krijgen en zijn er verscheidene intermodale railterminals. Ook zijn hier enkele openbare laad- en losplaatsen (lalo’s) te vinden. De verschillende havenbedrijven en ontwikkelingsmaatschappijen, zoals de projectorganisatie Maasvlakte 2, trekken er hard aan om samen met ProRail die railinfrastructuur op niveau te brengen.

In de rest van Nederland was tot voor kort de vraag naar nieuwe railinfrastructuur voor het goederenvervoer heel incidenteel. De trend was eerder andersom: het aantal bedrijfsaansluitingen daalde van 1.200 tot circa 300 en van de 350 openbare laad- en losplaatsen zijn er zoveel gesloten en opgebroken dat er nu nog maar 50 operationeel zijn. En ook die worden niet of nauwelijks gebruikt: af en toe tankvervoer als het leger op oefening gaat, voor het opstellen van werktreinen ten behoeve van de spooraannemers en tussendoor zien we daar ook een enkele commerciële klant. Eerlijk gezegd zijn deze lalo’s ook niet meer van deze tijd. Verlading in de openlucht is bijvoorbeeld voor veel bedrijven niet meer acceptabel, alleen voor bouwmaterialen en dergelijke is dat nog een optie.”

“Toch zien we een sterke wens opkomen om meer met het spoor te gaan vervoeren. Strategisch gesitueerde opstappunten zijn daarvoor onontbeerlijk. Hoe pakken we dat aan? Aanleg van railinfrastructuur is namelijk niet in een handomdraai voor elkaar. Bedrijven moeten ten eerste zelf fors investeren als ze railinfrastructuur op hun terrein willen aanleggen. Ten tweede moet er een aansluiting komen van de fabriekspoort tot aan een stamlijn of rechtstreeks op het hoofdnet. De overheid – lees ProRail – wil daarin pas investeren als er voldoende volume overheen gaat. Bundelen van potentieel is mijn advies. Er komt heus wel geld voor openbare railinfrastructuur beschikbaar, als er maar meerdere spooraansluitingen op een bedrijventerrein aan één stamlijn worden gekoppeld. De rail-ontsloten bedrijventerreinen moeten wel worden geconcentreerd langs de hoofdassen van het goederenvervoer.

Voor openbare laad- en losplaatsen geldt hetzelfde. We moeten op zoek naar logistieke dienstverleners die een lalo willen ‘adopteren’ en actief op zoek gaan naar lading. In Tilburg zien we een mooi voorbeeld van hoe het kan. Daar moet zowel de lalo als de spooraansluiting van de NedTrain-werkplaats uit het centrum verdwijnen. Op het nabijgelegen industrieterrein De Loven beschikt logistiek dienstverlener Versteijnen over een kleine railterminal. Als alle partijen meedoen, kunnen we daar een modern opstappunt voor het goederenvervoer maken. Dan komen we een beetje in de buurt van het zogenoemde ‘Railport’-concept dat in Italië met veel succes wordt toegepast.”

“Nu kom ik weer terug op de Betuweroute. Opstappunten genoeg in de Rotterdamse haven. Maar voor de rest van Nederland is de aansluiting op de Betuweroute minder goed geregeld. Want het goederenvervoer wordt op het hoofdspoornet nog altijd gezien als een ‘lastpak’ voor het reizigersvervoer. En als je dan NS Reizigers hoort over een metro-achtig netwerk dat in de Randstad moet komen, is dat voor het goederenvervoer geen gunstig voorteken. Ik denk dan ook dat we de havens van Amsterdam, Vlissingen en het industriegebied Moerdijk - waar meerdere opstappunten voor het goederenvervoer per spoor zijn geconcentreerd - een eigen goederenaansluiting op de Betuweroute moeten bieden. Tot slot hoeft geen betoog dat een intermodale railterminal tussen Arnhem en Nijmegen, pal naast de Betuweroute, absoluut van grote waarde is. Ongelooflijk, dat zelfs voor zo’n kansrijk opstappunt voor de rest van Nederland nog steeds een heel sterke lobby nodig is.”

Teun van Duin, directeur Logitech