Mark Jansen, Directeur Hupac Intermodal Nederland:

Toenadering

Maandag, 15 augustus 2005, 00:00

“Truck en trein behoren in mijn ogen geen concurrenten te zijn. Vaak worden ze nog wel als zodanig gezien. Maar ze moeten toenadering zoeken en juist de sterke kanten van beide modaliteiten combineren. Dan krijg je een optimale transportketen.

De trein is goed in grote volumes op relatief lange afstanden. De truck is onverslaanbaar in de fijndistributie.
Als directeur van Hupac Intermodal Nederland zie ik dagelijks om mij heen dat wegvervoerders, tankoperators en logistiek dienstverleners een combinatie van beide meer en meer beginnen in te zien. In een markt die sterk onder druk staat, blijkt ons intermodale transport toch stevig te kunnen groeien: het afgelopen half jaar met maar liefst 13,5 procent. De klant vraagt op grote bestemmingen om meerdere vertrekken per dag. Vanuit Rotterdam bieden wij dan ook 4 keer per dag een vertrek aan naar het Noord-Italiaanse Novara. De trailers, wissellaadbakken en tankcontainers zijn met onze shuttles al een dag later ter plekke. Dat geldt ook voor Brescia, Ludwigshafen, Duisburg en andere bestemmingen. Soms kunnen onze klanten nog verder met het spoor, bijvoorbeeld naar Bari en Brindisi in Zuid-Italië. Uiteraard is het dan niet mogelijk om zo’n verbinding elke dag te bieden, gezien de geringere volumes. Maar als je het goed uitkient, kan het wel.

Onze klanten willen graag steeds hoger, breder en zwaarder. Daar gaan we zoveel mogelijk in mee. Zo kunnen we voortaan 4 meter hoge trailers meenemen naar Italië dankzij een nieuwe tunnel door de Alpen en met behulp van Hupac-wagons met een lage laadvloer. Hoger en breder betekent weliswaar goedkoper transport maar daar staat minder flexibiliteit tegenover. Want hoe verder je per spoor naar het oosten of het zuiden gaat, hoe kleiner de profielen. Onze eigen technische afdeling kan klanten adviseren bij de aanschaf van ‘kraanbare’ trailers. Hupac beschikt nauwelijks over eigen tractie. Wij maken gebruik van verschillende railvervoerders. Zo laten we jaarlijks in Europa meer dan 15.000 treinritten uitvoeren waarop de railgoederenvervoerders kunnen inschrijven. Sinds er concurrentie is, blijkt er veel meer mogelijk te zijn op het Europese spoor: de kwaliteit gaat omhoog, innovatieve vervoersconcepten komen bovendrijven en de informatievoorziening is stukken beter. Kortom, de drang om goed te presteren is enorm. En daar maken wij – ten behoeve van onze klanten - optimaal gebruik van. Dus als het spoor het goed doet, profiteert het wegvervoer daarvan mee. Hoezo concurrentie?”