Uitdaging van het Derde Spoor

Bron: Rail Cargo information Netherlands

Dinsdag, 5 mei 2015

Uitdaging van het Derde Spoor

Tijdens het laatste Spoorcafé bij Zeeland Seaports sprak Teunis Steenbeek, Programma Manager van de Stuurgroep Derde Spoor, over de laatste stand van zaken met betrekking tot de geplande werkzaamheden op het traject Emmerich – Oberhausen in verband met de aanleg van het derde spoor. “In de sector wordt vaak gesproken over het ‘Probleem’ van het Derde Spoor. Dit wil ik graag corrigeren in de ‘Uitdaging’ van het Derde Spoor, anders jagen we verladers onnodig weg van het spoor. Deze uitdaging gaan we niet alleen aan, we gaan deze uitdaging dan ook fixen”, sprak Steenbeek zijn toehoorders toe.

“Het is echter geen geringe uitdaging”, gaf Steenbeek eerlijk toe. Daar komt bij dat er tussen 2017 en 2022 wellicht vertraging is in de werkzaamheden als gevolg van de Duitse variant op de Milieueffectrapportages (MER). In totaal zijn er 12 subtrajecten waarvoor een MER is opgesteld. Daarvan is er op dit moment één formeel afgerond. De verwachting is dat er aanvullende eisen zijn vanuit de omgeving, welke niet zijn voorzien in de planning. Het is daarom niet ondenkbaar dat er in 2017 minder bouwactiviteiten zijn dan aanvankelijk door DB Netz is aangegeven. Het voordeel is dat er meer capaciteit beschikbaar zou zijn. Nadeel is dat de werkzaamheden dan over een langere periode worden uitgespreid.

Steenbeek benadrukte zeer stellig dat de sector nu niet mag denken dat uitstel kan leiden tot afstel of dat de maatregelen minder urgent zouden zijn. “Verslappen is ontzettend gevaarlijk!” Steenbeek verwacht in 2016 meer duidelijkheid van DB Netz over de geplande werkzaamheden in 2017.

Voorts noemde Steenbeek dat de recente buitendienststelling tijdens het Paasweekend een goede testcase vormde, die in het algemeen goed verlopen is en waarvan ook geleerd is. De herrouteringen vormde wel een flinke belasting op de operationele mensen van vervoerders en ProRail (VL). De nieuwe AMvB die van kracht is, betekent daarentegen een verdubbeling van het aantal paden voor het spoorgoederenvervoer op de Brabantroute en de Bentheimroute. Dit heeft uiteraard een positief effect op de beschikbare capaciteit.

Belangrijk aandachtspunt vormt de opvang van het verlies van maatregel RE 13. Deze maatregel had betrekking op het deels opheffen c.q. verbussen van Regional Express 13 (Venlo- Viersen-Hamm) tijdens de omleidingsperiode. Nu deze maatregel niet doorgaat, betekent dit een verlies van 17 treinpaden.

Vervolgens ging Steenbeek in op de prioriteitsstelling, waarbij sprake is van een drietal stappen, te weten:
1. Toewijzen treinen Betuweroute op basis van risicofactor (Basisnet);
2. Verhoogde zekerheid van spoorcapaciteit voor langdurige stromen en hoge(re) frequenties;
3. Toewijzen restcapaciteit Betuweroute op basis van risicofactor en (vooral) relatieve omrij-factor, lengte en wel/niet loc-wissel.

De prioriteitsstelling zal volgens Steenbeek in stappen geborgd worden in de wetgeving. Bovendien moet het passen in de Europese wettelijke kaders die soms afwijkend zijn. Daarmee doelde Steenbeek op de zogeheten pre-arranged paden in het kader van de TEN-T corridor policy, waarbij hoog frequente treinen voorrang krijgen. Dit kan echter botsen met het Basisnet.

Tot slot ging Steenbeek in op de impact van de werkzaamheden aan het Derde Spoor op de ontsluiting van de Zeeuwse havens. Door de recente inwerkingtreding van het Basisnet zullen veel treinen via de Betuweroute worden geleid. De prioriteitstelling zal wat dat betreft weinig impact hebben op treinen met (veel) basisnet stoffen. “Ondanks de impact, zoals mogelijke her-routering en aanpassing tijdsvensters, is het de verwachting dat er voldoende capaciteit beschikbaar blijft. Inderdaad een flinke ‘uitdaging’, maar zeker geen ‘probleem’ van het Derde Spoor”, aldus Steenbeek.